De zin en onzin van inteelt

Wat inteelt precies is

We spreken van inteelt als de ouders van een kat nauw verwant zijn: moeder en zoon, of (half)broer en (half)zus. Bij lijnteelt is de verwantschap losser, zoals neef en nicht — tenminste, als die twee zelf niet al ingeteeld zijn. En daar zit het addertje. Verwantschap zie je vaak niet aan een stamboom af. In rassen waarvan alle stambomen ooit uit dezelfde handvol katten zijn opgebouwd, loopt de verwantschap tussen alle dieren op zodra er lange tijd geen nieuwe katten meer bij komen. Je kunt dan eigenlijk niet meer van verschillende bloedlijnen spreken. Binnen de meeste kattenrassen neemt de inteelt toe.

Wat er op genenniveau gebeurt

Een kat heeft ongeveer 20.000 genen. Van elk gen erft een kitten één versie — een allel — van zijn vader en één van zijn moeder. Samen bepalen die twee hoe het gen tot uiting komt. Er is een gen voor vachtkleur, een voor aftekening, en veel genen werken samen, zoals in het immuunsysteem.

Je kunt je voorstellen wat er gebeurt als de diversiteit binnen die immuunsysteemgenen kleiner wordt: hoe minder verschillende versies, hoe minder goed het systeem kan reageren op indringers waar het nog nooit eerder mee te maken had. Ieder mens en ieder dier draagt wel een paar constructiefoutjes in zijn genen. Daar merk je niets van zolang er een gezond allel tegenover staat. Het wordt een ander verhaal wanneer een kitten datzelfde foute allel van béíde ouders erft — en dat is precies wat inteelt waarschijnlijker maakt. Zo ontstaan erfelijke ziektes en gebreken.

De inteeltcoëfficiënt (COI)

De COI (Coefficient of Inbreeding, ofwel inteeltcoëfficiënt) is de kans dat een kat hetzelfde allel van beide ouders erft. Een kitten uit een volle broer en zus heeft een COI van 25%. Uit neef en nicht: 6,25%. Zijn de ouders zelf al ingeteeld, dan loopt dat getal verder op — ook als zij onderling geen broer, zus, neef of nicht zijn. Binnen een ras kan de gemiddelde COI al tussen de 10 en 30% liggen. En dat cijfer stijgt vanzelf verder zolang het fokbeleid niet verandert.

Staat jouw ras in de database van PawPeds? Dan kun je daar de COI van veel katten opzoeken, je eigen kat laten registreren en vooraf uitrekenen wat een voorgenomen combinatie oplevert.

PawPeds noemt dat een testparing: je zet de moeder en de beoogde vader samen in een stamboom die nog niet bestaat en PawPeds berekent de COI van hun kittens. Dat hoort een fokker vóór elke dekking te doen. Wij deden het voor het nestje van Qiqi en Kody dat rond 25 oktober 2026 verwacht wordt. In de video hierboven zie je stap voor stap hoe het gaat.

Zo doe je het zelf:

  1. Ga naar pawpeds.com.
  2. Klik in het menu op Databases. Je komt op de pagina Cat Databases.
  3. Klik op Siberian (incl. Neva Masquerade).
  4. Typ Qiqi bij Naam en klik op Zoeken.
  5. Er is één match: klik op Qiqi Baskova Sibanna.
  6. Klik bovenaan op Testparing.
  7. Klik bij Kat 2 op Voeg toe om de kater toe te voegen.
  8. Typ Kody bij Naam en klik op Zoeken.
  9. Er is weer één match: klik op Initium’s Kody Aviv. Kody en Qiqi staan nu samen in de testparing.
  10. Klik op Inteelt. PawPeds rekent nu de inteelt over alle bekende generaties uit.

Zie je PawPeds in het Engels, dan heten de knoppen Test mate, Add en Inbreeding. En let op bij de laatste stap: vóór de klik staat er “Inteelt = 0,0%”. Dat getal gaat alleen over de vier generaties die op het scherm staan. Pas na de klik rekent PawPeds verder terug.

De uitkomst voor Qiqi en Kody is een complete inteelt van 1,55%. Over tien generaties is het 1,54%. Dat ligt ruim onder de 2,5% die SibKit als norm hanteert (zie verderop).

Berekend op 26 september 2026. Worden er later voorouders aan de stambomen toegevoegd, dan kan het percentage nog iets veranderen.

Weg is weg

Door inteelt verdwijnen genversies uit een ras. Hoe genenarmer een ras wordt, hoe vaker dezelfde erfelijke aandoeningen hardnekkig blijven opduiken bij verschillende dieren. En als een genversie eenmaal uit een ras verdwenen is, is die ook echt weg.

Een outcross met een ander ras verrijkt de directe nakomelingen wel, maar zodra die weer met hetzelfde ras worden verpaard, kunnen de rasproblemen een generatie later alweer terug zijn.

Waarom je het niet zomaar terugfokt

Bij de meeste raskatten is het stamboek gesloten. Eenmaal gevestigde inteelt kan dan alleen nog oplopen. Verparen met dieren van buiten het stamboek mag alleen met toestemming van de vereniging, en gebeurt zelden genoeg om verschil te maken.

Neem het Friese hondenras de wetterhoun, met een gemiddelde COI van 34 tot 36%. De gevolgen: onvruchtbaarheid, kleine nesten, kale honden, epilepsie, en zelfs dode pups door een erfelijke immuunziekte. Voor die laatste aandoening is inmiddels het recessieve gen gevonden (SCID), zodat twee dragers niet meer met elkaar worden gecombineerd. Maar op alle andere problemen die door de inteelt zijn ontstaan, kun je niet selecteren.

De rasvereniging startte een outcrossprogramma: een paar reuen van andere rassen dekken teven binnen het ras. De pups uit zo’n combinatie hebben een COI van 0%. Dat klinkt als de oplossing. Maar wordt zo’n nakomeling weer met een wetterhoun verpaard, dan zit je alweer op gemiddeld 18%. Eén generatie later op 27% — ruim boven het niveau van broer en zus.

Daarmee spreekt het voor zich: een ras is niet zomaar te redden als de gemiddelde COI eenmaal zo hoog is opgelopen. En dat is verontrustend, want bij vrijwel alle rassen loopt de COI op.

Wanneer inteelt wél nuttig kan zijn

Een gecontroleerde mate van lijnteelt kan helpen om gewenste eigenschappen vast te leggen en te behouden. Gezien de risico’s voor het dier moet die keuze altijd bewust worden gemaakt: je moet dan des te beter weten welke gezondheidsrisico’s er in de bloedlijnen zitten en welke dieren in de stamboom daar invloed op hebben gehad. Binnen een genenpool die groot en divers is, en zorgvuldig en beperkt ingezet, kan het een fokdoel dienen.

Een ander doel kan zijn om te bevestigen dat een vermoed ongewenst recessief gen daadwerkelijk in een bloedlijn voorkomt: door inteelt binnen die verdachte lijn wordt het zichtbaar. Of zo’n verparing verantwoord is, hangt af van de ernst van de aandoening — en is ethisch discutabel.

Waar inteelt vandaan komt

Bij een aantal kattenrassen waren er bij de start simpelweg niet genoeg bloedlijnen beschikbaar, en werden er later geen dieren meer aan het stamboek toegevoegd.

Daarnaast speelt het ideaalbeeld een rol. Op shows beoordelen keurmeesters hoe goed een kat aan de rasstandaard voldoet. In zo’n standaard staan woorden als ‘middelmatig’, ‘wijd’, ‘groot’ en ‘goed’. Wat die woorden betekenen is subjectief en verandert met de tijd. Als ogen groot moeten zijn: hoe groot is groot genoeg? Regelmatig wordt er zo een extremiteit nagestreefd, door keurmeesters en fokkers samen, en passen fokkers inteelt toe om aan het actuele wensbeeld te voldoen. Niet de shows zijn daarmee de oorzaak, maar de keuzes die fokkers maken.

Wat je onderweg kwijtraakt

Genen uit bloedlijnen die je niet gebruikt, sterven vroeg of laat uit. Een groene oogkleur of een waterafstotende vacht wordt zeldzaam als de aandacht te lang uitgaat naar lijnen met één specifiek kenmerk, zoals breed geplaatste oren. Je verliest dus niet alleen gezondheid, maar ook raskenmerken.

En er ligt meer op de loer. Denk aan een vriendelijk hondenras als de golden retriever, waar in bepaalde lijnen ‘onverklaarbare agressie’ veelvuldig voorkomt. Of border collies met een drijfinstinct dat zo is doorgeschoten dat van gezond functioneren geen sprake meer is. Ook bij katten zie je dieren die door hoge inteelt sociale vaardigheden missen of agressief gedrag naar mensen vertonen.

Wat lage inteelt oplevert

Om te beginnen een kleinere kans op kittens met gezondheidsproblemen. In een grote, gevarieerde fokgenenpool krijgen schadelijke genen simpelweg de kans niet om zich door het ras te verspreiden — waarmee gezondheidsonderzoek naar erfelijke aandoeningen zelfs minder relevant wordt.

Een sterk immuunsysteem vraagt om grote genendiversiteit. Daarmee is een kat zijn leven lang beter beschermd tegen virussen, bacteriën, parasieten, schimmels en allergieën, en is de kans op aangeboren afwijkingen kleiner.

En je voorkomt iets anders: dat er ooit een rasbreed outcrossprogramma nodig is. De kans dat zo’n programma slaagt is klein, al was het maar omdat het draagvlak ontbreekt — zorgvuldig opgebouwde raskenmerken kunnen erdoor verloren gaan. Dat is te voorkomen door er eerder op te sturen.

Hoe het anders kan

Dat vraagt in de eerste plaats een andere manier van denken. Het fenotype — het uiterlijk — mag niet meer leidend zijn bij de keuze voor een verparing. De vraag zou moeten zijn in hoeverre een fokdier of een combinatie een verrijking is voor de genenpool.

Die inschatting is lastig zonder inzicht in de verspreiding van genen. Een werkbaar begin: richt je op combinaties met een lágere COI dan in jouw ras gemiddeld is. Voor een aantal rassen reken je dat vooraf uit in de PawPeds-database.

Een groep ervaren fokkers is SibKit gestart: een programma dat fokkers van de Siberische kat stimuleert om de COI onder de 2,5% te houden, gemeten over tien generaties. Bij de Siberische kat kan dat nu nog. Wij doen daaraan mee. Hieronder leggen we uit wat dat in de praktijk betekent.

Met een lage COI als fokdoel moet je regelmatig nieuwe bloedlijnen zoeken. Een mooie uitdaging, en samen bereik je daarin meer dan alleen. Ga het gesprek aan, deel kennis en motiveer elkaar. We willen tenslotte allemaal ons ras gezond houden.

SibKit: waar wij ons aan houden

SibKit — Low Inbreeding keurmerk

Het SibKit-keurmerk staat voor een inteeltcoëfficiënt van minder dan 2,5% over tien generaties, berekend in PawPeds. Fokkers laten er hun nest mee zien dat het aan deze strenge maar terechte inteeltnorm voldoet. Zo houden we het ras gezond.

Daarbij gaat het niet alleen om weinig verwantschap tussen de ouderdieren zelf, maar ook om de fokgenenpool waaruit je in de toekomst nog kunt kiezen. Fokken met weinig inteelt kan namelijk alleen als er fokdieren beschikbaar zijn die niet of nauwelijks aan elkaar verwant zijn. Daarvoor is een grote genenpool nodig met diversiteit in bloedlijnen. Om die reden fokken wij ook met zeldzamere en nieuwe bloedlijnen, en niet alleen met lijnen die goed presteren op een kattenshow.

Want als de genenpool eenmaal verarmd is doordat er maar met een beperkt aantal bloedlijnen is gefokt, is een lage inteeltcoëfficiënt vrijwel niet meer te bereiken. De praktijk is dat de COI binnen alle rassen op lange termijn alleen maar stijgt, tenzij er grootschalig nieuw bloed bij komt. Dat is precies de situatie die dit programma wil voorkomen.

Dit artikel verscheen eerder als pdf: De zin en onzin van inteelt (pdf).

Door Francis van Arkel en Anna Schrotenboer