Hoe een kattenallergie werkt
Vraag iemand met een kattenallergie waar hij op reageert en het antwoord is bijna altijd: de haren. Of de huidschilfers. Dat klopt allebei niet en dat is meer dan een weetje — het verklaart waarom sommige maatregelen wel helpen en andere niet.
Het is een eiwit, geen haar
Waar mensen op reageren is een eiwit dat de kat zelf aanmaakt: Fel d 1. Het wordt geproduceerd in de speekselklieren en in de talgklieren van de huid. Er zijn nog meer kattenallergenen, maar dit is verreweg het belangrijkste.
Een kat poetst zichzelf urenlang per dag. Daarmee smeert hij zijn eigen speeksel over zijn hele vacht uit. Het droogt op, mengt zich met huidschilfers en breekt uiteen in deeltjes die zo klein zijn dat je ze niet ziet.
Die deeltjes zijn het probleem. Ze zijn licht genoeg om urenlang in de lucht te blijven zweven, ze plakken aan kleding en ze zetten zich vast in tapijt, meubels en gordijnen. Die deeltjes adem je in, en dat brengt de allergische reactie op gang. Ze komen ook binnen via je huid en je ogen — daarom merken veel mensen het als ze een kat hebben geaaid en daarna in hun ogen wrijven. Haren zijn daarbij niet de veroorzaker maar het vervoermiddel: ze dragen het eiwit mee.
Dat verklaart iets wat veel mensen verbaast. Fel d 1 wordt aangetroffen in huizen waar nooit een kat is geweest, en in schoolklassen en kantoren. Het reist mee op de jas van iemand die er wél één heeft.
Waarom ‘niet-verharend’ geen oplossing is
Omdat het niet om de haren gaat, helpt een ras dat weinig verhaart niet automatisch. Een kale kat produceert gewoon Fel d 1 — die verspreidt het alleen anders. Andersom kan een kat met een enorme vacht relatief weinig produceren.
Om dezelfde reden werkt scheren of veel borstelen niet als oplossing. Je verplaatst het eiwit, je maakt het niet weg.
Wat er per kat verschilt
Katten produceren niet allemaal evenveel Fel d 1. Er zijn verschillen tussen lijnen, tussen individuele katten onderling en bij dezelfde kat tussen verschillende levensfases. Ook het geslacht speelt mee.
Wat daarbij het duidelijkst is aangetoond: een ongecastreerde kater produceert het meest. Castratie verlaagt de productie fors en bij gecastreerde katten is er geen betekenisvol verschil meer tussen een kater en een poes.
Wat dat samen betekent, is dat twee katten zich lastig met elkaar laten vergelijken. Eén momentopname bij één kat zegt niet zoveel — ook niet als je hem laat meten. Daarover meer bij de veelgestelde vragen.
En de Siberische kat?
Wij zijn ervan overtuigd dat het bij dit ras anders ligt en waarop we dat baseren leggen we uit bij wat wij sinds 2007 hebben gezien.
Wetenschappelijk is het niet vastgesteld. Er is welgeteld één peer-reviewed studie die specifiek naar Siberische katten keek, en daarin zaten vier katten. Dat is te weinig om iets te bewijzen — maar ook te weinig om iets te weerleggen.
Wat het praktisch betekent staat op de pagina over zelf uittesten.
Verder lezen
Dit is één pagina uit ons allergiecluster. Hieronder staat waar je verder kunt lezen.
- Siberische kat en allergie — het startpunt van dit cluster: wat we wel en niet weten.
- Zelf uittesten — hoe je erachter komt. Voorbereiding, opbouw, en waar je de dagen erna op let.
- Wat je thuis kunt doen — de maatregelen die wij in twintig jaar namen, en waar wij de grens leggen.
- De medische kant — wat een arts kan onderzoeken, en wanneer je er echt heen moet.
- Wat wij sinds 2007 hebben gezien — ons eigen verhaal, ook de keren dat het misging.
- Veelgestelde vragen — andere rassen, een kat laten meten, genetisch aangepaste katten.

